Autismespectrumstoornis
Is uw kind jonger dan 6 jaar, en vermoedt u dat er sprake zou kunnen zijn van een autismespectrumstoornis? Vult u dan op http://www.heeftmijnkindautisme.nl/lkh/ de ‘Autisme-test’ in en neem de uitdraai die u ontvangt mee naar het intakegesprek. De ‘Autisme-test’ is ontwikkeld door het Dr Leo Kannerhuis en geeft veel inzicht in het gedrag van uw kind en een handige leidraad tijdens het eerste gesprek bij AGNO. Het is niet zo dat op basis van deze test alleen een diagnose gesteld kan of mag worden; het zet gedragingen op een rij en maakt ze op die manier voor ons ‘overzichtelijk bespreekbaar’.
Het grootste probleem bij mensen met een autismespectrumstoornis is de centrale coherentiestoornis, oftewel de “informatieverwerkingsstoornis” De centrale coherentiestoornis ontstaat doordat waargenomen prikkels onvoldoende tot een zinvol geheel omgezet kunnen worden. Er is sprake van een stoornis in de hersenen.
Als er informatie binnen komt moeten eerst de zintuiglijke prikkels verwerkt worden. Dat gebeurt zowel in de linker als in de rechter hersenhelft, waarbij gewoonlijk sprake is van een perfecte samenwerking. Bij mensen met een hersenbeschadiging zien we dat verschillende hersenhelften verschillende functies hebben.Iemand wiens rechterhersenhelft geraakt is kan bv. elke zin voor ruimtelijke oriëntatie verliezen, maar kan nog wel heel goed praten. Iemand wiens linkerhersenhelft geraakt is verliest heel wat spreekvaardigheid, maar heeft geen problemen met de ruimtelijke oriëntatie.De verschillende hersenhelften zijn volgens onderzoekers ook gespecialiseerd in de manier waarop ze informatie verwerken: rechts staat voor waarnemingssynthese en links voor begripsanalyse. Neem bijvoorbeeld een appel en een sinaasappel. Die lijken op elkaar. Voor de rechterhersenhelft lijken ze op elkaar omdat ze rond zijn: De directe waarneming, de rechterhersenen zien als het ware dat ze rond zijn. De informatie spreekt voor zich, er komt geen analyseren aan te pas. Het ronde kenmerk (het visueel-ruimtelijke) wordt door de rechterhersenhelft vrij letterlijk in het geheugen bewaard. Voor de linkerhersenhelft lijken een appel en een sinaasappel op elkaar omdat ze beide fruit zijn: De begripsanalyse. Dat ze fruit zijn is niet onmiddellijk waarneembaar. De linkerhersenen helpen ons verder te gaan dan het letterlijke, ze helpen ons onze waarnemingen te organiseren volgens abstracte kenmerken, zoals fruit.
Mensen met een autismespectrumtstoornis (op verschillende intelligentieniveaus) hebben de neiging om de gegeven informatie te zeer te verwerken volgens de rechterhersenhelft-manier en niet genoeg volgens de linkerhersenhelft, dus volgens de directe waarneming i.p.v. volgens begripsanalyse.
De centrale coherentiestoornis is het belangrijkste gevolg van de stoornis in de hersenen die een rol speelt bij mensen met autisme of aanverwante contactstoornis. “Centrale coherentiestoornis” betekent dat het vermogen ontbreekt om de informatie uit de omgeving samen te voegen tot één logisch, samenhangend geheel. De waarneming verloopt fragmentarisch, in losse onderdelen en zeer letterlijk. Vandaar ook “informatieverwerkingsstoornis”. Het idee achter de concrete informatie wordt dan niet of moeizaam gevormd, de betekenisverlening blijft uit. Dit leidt tot (on)logische associaties, misverstanden.
Dit kan zich op een aantal manieren uiten: in het overgeneralisatieprobleem en in het hyperselectiviteitsprobleem. Bij overgeneralisatie kun je denken aan: iemand met autisme of aanverwante contactstoornis leert om de postbode beleefd een hand te geven, maar geeft hierna vervolgens iedereen in een uniform een hand. Bij hyperselectiviteit blijkt één detail erg belangrijk: bijvoorbeeld “een bepaald persoon gaat thuis wel gewoon naar het toilet, maar weigert die ook op het werk te doen. Na uitvoerig onderzoek blijkt dat het toilet thuis een witte w.c.bril heeft, en die op het werk een zwarte: het is dan dus geen w.c. meer!”
Er is nog een andere manier waarop duidelijk wordt dat de informatieverwerking problemen oplevert: de prikkelverwerking. Zintuiglijke indrukken of sensaties vinden op een andere manier plaats dan gebruikelijk. Zo kan iemand bijvoorbeeld overgevoelig zijn voor aanraking; de persoon wil dan niet aangeraakt worden (of doet dit hooguit als hij zelf kan bepalen wanneer en hoe de aanraking plaats vindt). Ook geluiden en beelden kunnen teveel prikkels bevatten om te kunnen hanteren. Het omgekeerde komt ook voor: dan wordt er juist gezocht naar harde prikkels (muziek, hoofdbonken enz.). Dit alles komt dus voort uit de informatie- en dus ook prikkelverwerkingstoornis.
Mensen met autisme of een aanverwante contactstoornis zijn uiteraard allemaal uniek; ze hebben ieder hun eigen gedragspatronen en het is bijna onmogelijk mensen in bepaalde groepen in te delen. Toch zijn er, ruw weg, drie verschillende “groepen” mensen met autisme of een aanverwante contactstoornis te onderscheiden. We kennen het starre (ook wel: aloof) type, het passieve type, en het grillige (ook wel: active-but-odd) type.
Het starre type wordt eerder herkend als zijnde iemand met een autistische stoornis (“de klassieke autist”). Er zijn duidelijk kenmerken aanwezig: de persoon is teruggetrokken, houdt zich afzijdig, leeft in zijn eigen wereldje, heeft een te geringe behoefte aan contact (maar is hier wel eenduidig in) en er is sprake van een zeer beperkt, star gedragspatroon.
Het passieve type lijkt op het starre type, maar is wel aan te sporen tot activiteiten; hij staat wat meer open voor de omgeving en invloeden van buitenaf. Deze mensen lijken vaak aardig te functioneren, ze zorgen niet voor bijzonder veel problemen. Toch zien we dat deze mensen wel degelijk goed bekeken moeten worden en een aangepaste vorm van begeleiding behoeven. Als mensen niet gediagnostiseerd worden kan dit leiden tot zelfverwondend gedrag, agressie, incontinentie, etc.
Mensen die binnen de groep van het grillige type vallen zijn degenen waarbij de diagnose een stuk moeilijker te stellen is. Het gaat hier om mensen met een aanverwante contactstoornis, oftewel PDDNOS. Mensen met zo’n stoornis hebben een grotere impact op de gevoelens van hun ouders en vaak raken gezinnen waarin een kind met PDDNOS verkeert in een vicieuze interactiecirkel met hun omgeving. Kinderen van het grillige type zijn vaak druk, rusteloos, te open in het contact, te vrijmoedig. Er lijkt sprake van een interpretatiezwakte wat de sociale context betreft. Claimend gedrag is hierbij geen uitzondering.
En wat praktische handreikingen…
Voor iemand zonder autisme of aanverwante contactstoornis is de wereld vaak al erg onoverzichtelijk, chaotisch en onveilig. Wij bouwen voor onszelf honderden mechanismen in om alles “op een rijtje te krijgen&rdquo. De manier waarop we dat doen is voor de meeste mensen om ons heen niet storend, het is acceptabel. Mensen met autisme of aanverwante contactstoornis hebben nog veel meer van deze mechanismen nodig om te overleven. Zij raken de draad van het verhaal soms al kwijt voordat het verteld wordt. Ze leven in een wereld die voor hen nog onbegrijpelijker, chaotischer en onveiliger is dan voor ons.
De meeste mensen zonder autisme of aanverwante contactstoornis kunnen logisch nadenken, het geheel overzien, ordenen, waardoor het allemaal wat duidelijker wordt. Iemand met autisme of aanverwante contactstoornis kan dat niet. hij heeft ons nodig om zijn wereld enigszins te begrijpen. Regelmaat, orde, duidelijkheid (ook wel structuur genoemd) zijn hierbij erg belangrijk. Als iemand zelf constant bezig is met dwangmatig te structureren (iets dat door de wereld om de persoon heen vaak WEL als storend wordt ervaren), heeft hij geen tijd meer over om ook aan ontspanning toe te komen. Het blijven helpen, het geven van ondersteuning, biedt de persoon met autisme of aanverwante contactstoornis deze mogelijkheid.
Er gelden verschillende benaderingswijzen voor de drie eerder genoemde typen mensen met autisme of een aanverwante contactstoornis. In de benadering van het starre type gelden: rust, voorspelbaarheid en zekerheden als kernwoorden. Het structuuraanbod moet van tevoren worden vastgelegd, met de nodige ingebouwde rustpauzes. De benadering van het passieve type lijkt hier sterk op. Bij het grillige type zien we een ander plaatje: warmte en betrokkenheid zijn belangrijk, maar ook een duidelijk afpassen en beheersen van gevoelens is essentieel. Er moet sprake zijn van tegelijkertijd betrokkenheid en afstandelijkheid. De structuur is ook hier van belang, maar er moet meer mee ‘gespeeld’ kunnen worden, het moet wat kunnen meebewegen met de grilligheid van dit type. Tegelijkertijd moet deze structuur dwingender en forser bijsturend zijn. Rustpauzes kan men zich zelden permitteren. Taal heeft bij dit type mensen nauwelijks een functie. Veel belangrijker is het &lquo;er zijn&rquo;, het voordoen, voorstructureren en het uitstralen van rust en zekerheid.
Ook belangrijk om te onthouden is het volgende: iemand KAN een bepaalde handeling wel uitvoeren, maar of hij ook al die handelingen op een bepaald moment AANkan is een heel ander verhaal. Soms heeft iemand de ene dag net wat meer ondersteuning nodig dan de andere dag. Hij kan dan net iets minder aan. Leer om de persoon met autisme of aanverwante contactstoornis te “lezen”, zodat je kan inschatten hoeveel ondersteuning hij vandaag, of op dit bewuste moment, nodig heeft. En probeer, hoe moeilijk dat soms ook is, om begrip te hebben voor wat hij doet. Al is hij nog zo bezig met druk praten, fladderen met zijn handen, of andere gedragingen, probeer te begrijpen waarom dit gebeurt. Blijf ook kijken naar de leuke, de goede dingen en speel in op de hulpvraag van de persoon.