Geen Bodem Syndroom (GBS)

Bij mensen waarbij sprake is van een verleden waarin affectieve en pedagogische verwaarlozing een rol speelden, zien we vaak gedrag dat doet denken aan een hechtingsstoornis. De hechting tussen moeder of vader en kind, zoals deze normaal gesproken verloopt, is niet, of op een afwijkende manier tot stand gekomen omdat de opvoeder niet voldoende beschikbaar was voor het kind. In een normale opvoedingssituatie krijgt een kind de mogelijkheden zich te hechten; het leert wanneer de opvoeder reageert op zijn gehuil, en het leert vertrouwen op de omgeving. De opvoeder beschermt en verzorgt het kind. Op wat latere leeftijd krijgt het kind de kans op onderzoek uit te gaan, zich hierbij voldoende gesteund voelend door de opvoeder. Er is sprake van een veilige basis. Bij mensen die zich onvoldoende veilig gevoeld hebben zien we dat ze zich aan de ene kant gaan neerleggen bij de situatie; ik word toch niet gehoord, huilen (of praten..) heeft geen zin. Aan de andere kant komt er een afzetten tegen de omgeving; ik ben het niet waard om er te zijn, wijs me dan ook af, dat ben ik gewend.. Het wordt een leven van aantrekken en afstoten, en het is een blijvende manier van veiligheid zoeken, maar deze niet kunnen accepteren.

Een ernstig gevolg van een groot tekort in de basis, de aanleg van de hechting, kan gedrag zijn dat in de literatuur wordt samengevat onder de naam: Geen-bodem-syndroom (of: bodemloosheid).

De kenmerken van bodemloosheid (of het ‘Geen-bodem-syndroom (GBS)) zijn:

  1. Er is geen bodem in het bestaan (geen affectieve banden in de allereerste levensfase)
  2. Er is geen lijn in het leven, waardoor weinig gevoel voor tijd en ruimte bestaat. De wereld blijft ongestructureerd. Hierdoor ontstaan vaak specifieke leerproblemen.
  3. De gewetensontwikkeling is niet op gang gekomen.
  4. Er is geen “ik” daarnaast geen basaal vertrouwen in volwassenen, met als gevolg onvermogen en/of diepgewortelde angst om relaties aan te gaan.
  5. Er is een sterke neiging tot het leggen van oppervlakkige, inwisselbare contacten.
  6. Het kind vertoont “survivors-gedrag” Dit is een schijnaanpassing.
  7. De intieme emotionele banden binnen het gezin worden als bedreigend gezien.
  8. Het vroegste ervaren van “ontkend”, “niet gewenst”, “afgewezen” en “weggedaan” te zijn is onvoorstelbaar vernietigend. Dit uit zich vaak in vernietigingsdrang, gericht op zichzelf (automutilatie) of anderen. Stelen, vernielen, provocerend sexueel gedrag en weglopen zijn mogelijke gedragingen. Meestal is er een onverzadigbare honger naar aandacht.
  9. Bij zijn handelen gaat het kind meestal te werk volgens het “lustprincipe” het heeft nauwelijks remmen of drempels.
  10. Uitingen van het geen-bodem-syndroom zijn niet of nauwelijks gebonden bepaalde landen van herkomst, leeftijd, huidskleur, of culturele achtergrond.

Aan de andere kant…

Het gedrag van mensen met dit syndroom kan hen ten op zekere hoogte ook een soort “voordeel” opleveren: bepaalde trekken kunnen namelijk benut worden om ander gedrag en tekorten te compenseren:

  • Vaak is er een breed sociaal leven. De contacten zijn dan wel oppervlakkig, maar zorgen er ook voor dat er sprake is van een groot (sociaal?) netwerk.
  • Kinderen maken vaak ook buitenshuis snel en makkelijk contact met volwassenen. Hoewel ouders het vaak anders ervaren, kan een kind met het geen-bodem-syndroom charmant zijn ten opzichte van anderen.
  • Ze hebben veel mensenkennis. Het lijkt soms alsof ze “voelsprieten” hebben om aan te voelen wat er bij de ander speelt. Dit kan soms ook op een positieve manier aangewend worden. (in negatieve zin wordt deze mensenkennis gebruikt om te manipuleren).
  • Over het algemeen zijn mensen met dit syndroom dominant en kunnen ze daardoor goed leidinggeven.