Verstandelijke beperking
Naar schatting zijn er zo’n 100.000 tot 120.000 mensen met een verstandelijke handicap in Nederland (0,7 % van de bevolking). Er is geen landelijke registratie van kinderen en volwassenen met verstandelijke beperkingen. Wel zijn er registraties van het gebruik van diverse voorzieningen. Daar zijn ramingen over aantallen uit af te leiden. Daarnaast zijn er schattingen hoeveel kinderen er per jaar worden geboren bij wie een ernstige beperking in de ontwikkeling wordt vastgesteld. Uit de combinatie van deze gegevens komt men tot een redelijk betrouwbaar inzicht in aantallen mensen met een verstandelijke handicap.
Handicap of beperking
Een handicap wordt omschreven als een stoornis die leidt tot een beperking in het maatschappelijk functioneren. Een stoornis is de afwezigheid of afwijking van een functie. Een stoornis leidt tot een beperking op het vlak van normale menselijke activiteiten. De ouderverenigingen gebruiken verstandelijke handicap en verstandelijke beperking door elkaar.
Definitie van verstandelijke handicap
Men spreekt van een verstandelijke handicap wanneer een persoon belangrijke beperkingen ondervindt in het dagelijks functioneren. Er moet sprake zijn van een duidelijk beneden gemiddeld intellectueel functioneren en van gelijktijdige beperkingen in minimaal twee vaardigheidsgebieden zoals communicatie, zelfredzaamheid, wonen, sociale vaardigheden, zelfbepaling, gezondheid en veiligheid, schoolse vaardigheden, ontspanning en werken. De beperkingen moeten zich manifesteren voor het achttiende levensjaar. Dit om het onderscheid te kunnen maken van mensen met later verworven hersenletsel en mensen met dementie.
Bij de beoordeling of er sprake is van een verstandelijke handicap wordt dus gekeken naar:
- verstandelijk functioneren
- vaardigheden die bepalen hoe iemand zich weet te handhaven in de samenleving
- de leeftijd waarop de beperkingen merkbaar worden.
Deze definitie van verstandelijke handicap uit 2002 is afkomstig van de AAMR en voor Nederland bewerkt door Wil Buntinx (2003).
Redzaamheid
Het tweede criterium in de definitie heeft te maken met beperkingen op het gebied van communicatie, sociale vaardigheden, zelfstandigheid en zelfredzaamheid, gebruik van voorzieningen, gezondheid en veiligheid, werk en vrije tijd. Voor men kan spreken van een verstandelijke handicap moet de persoon naast de intellectuele beperking ook aanmerkelijke beperkingen ondervinden op twee of meer van deze gebieden. Deze vaardigheden staan niet los van elkaar. Ze staan evenmin los van de verstandelijke mogelijkheden van een persoon. Ook hangen beperkingen op dit gebied direct samen met de omgeving van de persoon, met de levensfase waarin iemand verkeert en met de ondersteuning die geboden wordt. Een persoon die niet spreken kan, maar wel vaardig is met gebaren hoeft in een omgeving die zijn taal verstaat weinig communicatieve beperkingen te ondervinden. In een omgeving die zijn gebaren niet verstaat is dezelfde persoon ernstig beperkt in zijn mogelijkheden. Door de combinatie van verstandelijke vaardigheden en van ‘je weten te handhaven in de samenleving’ lijkt het dat er in de schooljaren meer kinderen een verstandelijke handicap hebben dan in de jaren erna. De eisen die aan schoolkinderen worden gesteld liggen meestal hoger dan wat een persoon nodig heeft om zich als volwassene te kunnen handhaven. Met een goed netwerk en op maat gesneden ondersteuning zullen veel volwassenen zich behoorlijk zelfstandig kunnen handhaven. Het is onterecht om deze mensen ‘verstandelijk gehandicapt’ te blijven noemen.
Indeling in ernst van de beperkingen
De ernst van de verstandelijke beperking kan worden onderverdeeld op grond van de uitkomst van een intelligentieonderzoek:
- lichte verstandelijke beperking, IQ: 50 – 70, ongeveer 50%;
- matige verstandelijke beperking, IQ: 35 – 50, ongeveer 25%;
- ernstige verstandelijke beperking, IQ: < 35, ongeveer 25%
Soms wordt nog een verdere onderverdeling gemaakt in ernstig en zeer ernstig, waarbij ‘zeer ernstig’ dan geldt voor mensen met een IQ beneden de 20. Omdat met de beschikbare intelligentietesten dit lage bereik nauwelijks te meten is, lijkt dit minder zinvol.
Lichte verstandelijke beperking
Ongeveer de helft van de mensen met een verstandelijke handicap heeft een lichte verstandelijke beperking. Het gaat om mensen die zich meestal redelijk kunnen uitdrukken, die kunnen leren lezen en met geld omgaan, die zich vrij zelfstandig kunnen bewegen in de samenleving en die redelijk goed kunnen leren om zichzelf te verzorgen. Het zijn de mensen die in het huidige systeem naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO-ZML) gaan en later naar een dagcentrum voor volwassenen gaan en/of (met begeleiding) een baan vinden. Veelal zullen zij alleen of met enkele anderen samen kunnen wonen zonder permanente intensieve begeleiding.
Matige verstandelijke beperking
Ongeveer een kwart van de mensen met een verstandelijke handicap heeft een matige verstandelijke beperking. Deze mensen kunnen meestal wel kunnen aangeven wat ze willen, ze kunnen leren zichzelf aan en uit te kleden, zelfstandig te eten en te drinken, ze kunnen opkomen voor zichzelf. Ze zullen niet zelfstandig kunnen reizen, werken of wonen. Zij hebben op alle levensgebieden ondersteuning nodig.
Ernstige verstandelijke beperkingen
Ongeveer een kwart van de mensen met een verstandelijke handicap heeft ernstige verstandelijke beperkingen. Het gaat hier om mensen die op alle levensterreinen intensieve ondersteuning nodig hebben. Bij ongeveer eenderde van de mensen met ernstige verstandelijke beperkingen is tevens sprake van ernstige zintuigstoornissen, ernstige beperkingen in de mobiliteit, bijkomende lichamelijke aandoeningen, epilepsie en dergelijke. We spreken dan van mensen met ernstige meervoudige beperkingen. Hun aantal is naar schatting ongeveer 10.000.
Bijkomende beperkingen
Meestal zijn mensen met een verstandelijke beperking extra kwetsbaar. Hierdoor ondervinden ze naast de intellectuele beperking vaak ook op andere gebieden beperkingen en/of bijkomende aandoeningen. Het onderkennen van deze aandoeningen is veelal niet eenvoudig. Ook het vinden van een adequate behandeling kan moeilijk zijn. Bij kinderen met lichte tot matige verstandelijke beperkingen in de schoolleeftijd zie je vaak dat zij last hebben van faalangst en een laag zelfbeeld. Sommige kinderen hebben veel behoefte aan structuur. Er zijn relatief veel kinderen met concentratieproblemen, met druk of juist sterk in zichzelf gekeerd gedrag, enzovoort.
Epilepsie
Epilepsie komt bij kinderen en volwassenen met verstandelijke beperkingen veel vaker voor dan in de algemene bevolking en de epilepsie is ook vaker dan gemiddeld moeilijk met medicatie te reguleren.
Zintuigstoornissen
Zintuigstoornissen, zoals minder goed zien en horen, maar ook stoornissen in het evenwicht en stoornissen in de verwerking van zintuiglijke informatie zijn bij mensen met een verstandelijke beperking vrij gangbaar en tegelijk moeilijker te diagnosticeren en te behandelen.
Lichamelijke beperkingen
Naarmate de verstandelijke beperking groter wordt, zijn er vaker bijkomende lichamelijke beperkingen en is er een extra lichamelijke kwetsbaarheid. Zo zijn mensen met ernstige verstandelijke beperkingen vatbaarder voor infecties aan luchtwegen en urinewegen, bij kinderen zijn er vaak veelvuldige oorontstekingen, de voeding en ook de ontlasting kan een bron van zorg zijn. Veel mensen met ernstige verstandelijke beperkingen hebben op motorisch gebied ernstige beperkingen en vaak is ook de groei verstoord.Â
Bron: www.fvo.nl